Geslaagd voor de cursus Inleiding in de filosofie 1

Deze cursus van 5 EC (140 uur) behoort tot de propedeuse van de bachelor Algemene cultuurwetenschappen van de Open Universiteit. De cursus werd afgerond met een schriftelijk tentamen met open vragen. Mijn resultaat was een acht.

INHOUD

De filosofie begint wanneer het vanzelfsprekende tot vraag wordt. Het woord ‘filosofie’ drukt een besef van een tekort uit: de filosoof verlangt naar wijsheid, maar dat verlangen is nog niet vervuld. De filosofie vertrekt dus vanuit een besef van niet-weten of onwetendheid en tegelijkertijd vanuit een verlangen om wel te weten en wijs te worden. Die wijsheid probeert zij te bereiken door op methodische wijze te denken, door middel van een rationele reflectie op de werkelijkheid. Daarbij valt het denken zelf natuurlijk ook onder die werkelijkheid: de filosofie is ook een reflectie op het denken, ons denkvermogen en de manier waarop wij ons als denkende wezens tot de werkelijkheid verhouden.

Je zou kunnen zeggen dat de filosofie, zo beschreven, wel wat weg heeft van de Baron van Münchhausen, die volgens de legende zichzelf aan zijn eigen vlecht uit het moeras omhoog trok. Reflectie op het denken gebeurt immers…. door te denken. Maar juist omdat de filosofie het denken zelf tot onderwerp van reflectie maakt, vormt zij een goede en noodzakelijke aanvulling op de wetenschappen en onze alledaagse reflecties, die immers allemaal gebruik maken van het denken.

De meeste wetenschappen, met uitzondering van de wiskunde, zijn in tegenstelling tot de filosofie empirisch van aard. Dat wil zeggen: zij baseren zich op de een of andere manier op ervaringsgegevens. Er zijn echter vragen die vanuit de (empirische) wetenschappen niet beantwoord kunnen worden. Hoe moeten we juist en rechtvaardig handelen? Waarom is er iets, en niet veeleer niets? Wat is de zin van de geschiedenis? Wat is het wezen van de mens? Wat is nu eigenlijk ervaring en wat moet worden verstaan onder wetenschappelijke ervaringsgegevens? Dergelijke vragen kunnen niet vanuit de empirie beantwoord worden, omdat het geen vragen over de empirische werkelijkheid zijn (maar, bijvoorbeeld, over de relatie tussen een kenner en de empirische werkelijkheid). Als we ons met dit soort vragen bezighouden begeven we ons op het terrein van de filosofie.

Het gaat in de filosofie dus niet om feitelijke kennis van bijvoorbeeld bepaalde technische mogelijkheden of van de staatsinrichting van een bepaald land. Zulke feitelijke kennis is het doel en het onderwerp van de verschillende vakwetenschappen. De filosofie heeft daarom ook geen eigen objectgebied: zij kan zich op elk objectgebied betrekken en kan zich met alles bezighouden. Er is geen onderwerp dat bij voorbaat al van filosofische bezinning is uitgesloten. Filosofen vragen naar de grondslagen, de relevantie en de grenzen van al onze (vak)kennis. Zij kan dan ook omschreven worden als een onderzoek naar de vooronderstellingen die ten grondslag liggen aan de vragen die in het dagelijkse leven, in de cultuur en in de wetenschappen worden gesteld.

In de academische filosofie wordt niet alleen gefilosofeerd, maar wordt ook de filosofische traditie bestudeerd. De academische filosofie heeft daarom ook een sterke historische component. In de cursus Inleiding in de Filosofie 1 maakt u kennis met de belangrijkste denkers, begrippen en stromingen uit de Westerse filosofiegeschiedenis tot 1850 en leert u korte filosofische teksten uit die periode te lezen en samen te vatten.

LEERDOELEN

Kennis en inzicht

  1. U kunt een aantal belangrijke westerse filosofen uit de periode tot 1850 en de hoofdlijnen van hun werk reproduceren.
  2. U kunt uitleggen wat de kenmerkende denkwijzen en problemen uit de Europese geschiedenis van de filosofie tot 1850 waren.
  3. U kunt een aantal belangrijke filosofische begrippen en methoden op de juiste manier gebruiken.

Toepassen van kennis en inzicht

  1. U bent in staat om van een aantal belangrijke filosofen uit de westerse traditie tot 1850 de hoofdgedachten weer te geven en hun werk in een cultuurhistorische context te plaatsen.
  2. U bent in staat een aantal overeenkomsten en verschillen tussen hun filosofieën weer te geven.
  3. U kunt filosofische begrippen opzoeken in filosofische woordenboeken en/of encyclopedieën.
  4. U kunt een beknopte samenvatting maken van een korte filosofische tekst, die voldoet aan de gegeven criteria in het beoordelingsmodel en aan de academische eis van de intersubjectieve controleerbaarheid.

bron: https://www.ou.nl/opleiding?sku=CB3602