Op een zekere ochtend tref ik A4-tjes aan op drie ramen rondom onze kerk in Lelystad. De volgende ochtend weer. En ook een dag later. De kerk is er een van het Leger des Heils en ik ben er predikant / pastor.

’s Nachts besluit ik in het vertrek achter een van die ramen de daders op te wachten. Rond een uur of drie arriveert een auto. Een (vrouwelijke) collega emeritus predikant en een (vrouwelijke) ouderling van onze kerk stappen stiekem uit, lopen naar het raam en drukken gehaast een poster tegen het raam.

Als ik snel naar buiten loop stappen ze al in de auto. Ik word nog wel gezien.

In de kerk zijn ze niet meer geweest. Korte tijd later word ik overspannen. Huilend verlaat ik noodgedwongen mijn ambt. Ik was zo transparant. Ik heb er in de organisatie zo goed over gecommuniceerd maar er werd niet opgetreden. Zo, zo enorm kwaad ben ik geweest over de opmerking van de zeg maar ‘Chief Personnel Officer’ na mijn verslag: ‘Tja, we leven in een vrij land’.

Na een periode van rust ben ik een jaar later weer heringetreden. Dat had ik achteraf beter niet kunnen doen. Maar ik geloofde zo intens in God.

De predikant en de ouderling zijn na ons vertrek nog jarenlang actief geweest in de kerk. Over hun gedrag zijn ze met mij nog nooit in gesprek gegaan. Een keer heb ik gepreekt in een bijzondere kerkdienst terwijl deze vrouwen in de kerk zaten.

Als God zou bestaan dan was dit gedrag van de duivel. En in mijn geval zou die laatste dan gewonnen hebben. Want zonder dit soort mensen was ik nu nog predikant geweest.