Jacob van Malborch?, Koorkapschild en drie aurifriezen met scènes uit het leven van Willibrord Utrecht, ca. 1505-1515, Museum Catharijne convent

Goudborduurkunst in de Lage Landen in de Late Middeleeuwen

Materiaal, techniek en werkplaats. Een eerste verkenning

Deze tekst schreef ik als deelopdracht voor de cursus Oude Kunst. Feiten en visies van de Open Universiteit. Een pdf van de tekst is beschikbaar. De eindopdracht, goudborduurkunst in relatie tot andere beeldende kunsten in het algemeen en de schilderkunst in het bijzonder, is hierop een vervolg.

Borduren is het met draden versieren van bestaand weefsel met behulp van een naald. Weinig borduurwerk is bewaard gebleven omdat het werd gemaakt van vergankelijke materialen en toegepast op kwetsbare kleding en gebruiksvoorwerpen. Een vierenhalf duizend jaar oude vondst in China toont de lange geschiedenis aan van het handwerk. In het Westen is borduurwerk – vooral paramenten – bewaard gebleven vanaf de vroege middeleeuwen. Dankzij de onderdrukking van de roomse kerk in de vroegmoderne tijd zijn paramenten bij gelovigen thuis zorgvuldig bewaard. Schriftelijke bronnen over het borduren in de middeleeuwen zijn beperkt in vergelijking met andere ambachten; het zijn de vele afbeeldingen van borduurwerk op schilderijen die aantonen dat borduurwerk algemeen werd toegepast. De vroegst bekende weergave van borduurwerk is op het Gents altaarstuk van Jan en Hubert van Eyck uit 1432.

Bij borduren werd alleen met naald en draad gewerkt. Vandaar dat de techniek van het borduren is opgebouwd uit verschillende steken: manieren om de draad heen en weer door het weefsel te voeren. Elke steek laat een karakteristiek patroon achter aan de voorkant. Tot de dertiende eeuw werd hoofdzakelijk geborduurd met wol, na een geleidelijke overgang werd daarna bijna alleen zijde gebruikt.

Een belangrijke manier om een vlak op te vullen met draden is de lazuursteek. Daarmee werden lange gouddraden met behulp van een andere draad op het weefsel vastgemaakt. Deze lange draden werden in een rechte lijn, gebogen of in concentrische cirkels – zoals bij nimbussen – aan het weefsel vastgestikt. Bij grote oppervlakten werden twee gouddraden naast elkaar met één steek vastgestikt. Door bij het vaststikken meer of minder draden te gebruiken in de gewenste kleur werd kleurverloop en schaduw nagebootst. Gouddraad werd gemaakt door om een linnen of zijden draad een smalle strook metaal te wikkelen. Dat strookje werd getrokken uit metaal en daarna platgeslagen of gesneden uit een dunne metaalplaat. Voor dit filégaren werd zelden puur goud gebruikt, meestal eenzijdig verguld zilver. Een draad kon ook omwikkeld worden met een smalle strook darm, leer of perkament waarop een laagje met metaal – vaak een legering van zilver met een kleine hoeveelheid goud – was aangebracht en werd membraangoud of Keuls gouddraad genoemd. Hoe en waar gouddraad werd gemaakt en welke gereedschappen daarbij werden gebruikt is onbekend. Nader onderzoek is nodig.

Dat geldt ook voor de inrichting van de werkplaatsen, de manier waarop zij georganiseerd waren en voor de communicatie tussen het borduuratelier en de opdrachtgever. Eveneens is weinig bekend over de behuizing van de ateliers, waar die zich bevonden en wie er werkten. Nader onderzoek is nodig om te ontdekken of met het toenemen van de handel gedurende de hele middeleeuwen, ook de productiemethoden veranderden. Dat betrekkelijk weinig bekend is over het borduren komt mede doordat borduurders voor zover bekend nooit een eigen gilde hebben gehad. In de zuidelijke Nederlanden waren zij gebonden aan textiel- of kleermakersgilden, de borduurder uit de noordelijke Nederlanden sloot zich aan bij het Sint-Lucasgilde. Utrecht had een afzonderlijke kleermakersgilde.

Allerlei producten werden met borduursels versierd zoals kleding, kledingaccessoires en paramenten, volledige kamers, wandkleden, vaandels en boekomslagen. De borduurder ‘bedacht’ zelf de achtergrond zoals ornamenten en architectuur die rechtstreeks op het weefsel werd geborduurd. De figuren – zoals bijvoorbeeld afbeeldingen van heiligen op paramenten – werden ontworpen door beeldend kunstenaars, vaak schilders. Ze werden apart geborduurd en later op opengelaten stukken genaaid. De tekeningen waren niet op ware grootte, ze werden in het atelier overgetekend op cartons en vervolgens gedeeltelijk op het weefsel overgezet. Standaard patronen van figuren en ornamenten waren in het atelier op voorraad. Ontwerpen konden ook in bezit blijven van de opdrachtgever. Voor de verwerking van parels en juwelen werd samengewerkt met een edelsmid. Het behoeft geen betoog dat borduren enorm arbeidsintensief was. Nader onderzoek is nodig voor de opleiding van leerlingen tot borduurder. Een enkele keer wordt de duur van de opleiding genoemd, die was in 1380 in Gent 2 jaar. In Brussel eind vijftiende eeuw duurde de opleiding 3 jaar. In Parijs in de dertiende eeuw was de leertijd 8 jaar.

Tot de dertiende eeuw werd niet hoofdzakelijk commercieel geborduurd. Voor edelvrouwen was het dure hobby, voor nonnen nuttige arbeid. De lijst borduurders in de vroegst bekende ordonnantie uit Parijs eind dertiende eeuw bestaat nog voornamelijk uit vrouwen In de late middeleeuwen zijn professionele borduurders vooral mannen. Als vrouwen borduren, zijn zij over het algemeen familieleden van mannelijke borduurders. Namen van borduurders werden niet altijd genoemd in contracten, wel in de grote opdrachten van vorsten. Nader onderzoek is nodig over de vraag of deze grote namen eerder fungeerden als een soort ‘aannemer’ dan als uitvoerend borduurder.

Overal werden dezelfde producten ‘beschilderd’ met de naald, de stijl waarmee dat werd gedaan verschilde per regio en periode. In de Lage Landen volgde de borduurder de ontwikkelingen in de schilderkunst. Vanaf de tweede helft van de dertiende eeuw was een eeuw lang borduurwerk uit Engeland – het opus anglicanum – populair in Europa, gekenmerkt door het overdadig gebruik van gouddraad en de donkere belijning van contouren en binnentekening. Een andere opvallende borduurstijl was het blackwork of Spanish work, zwart of donker lijnig borduurwerk op wit weefsel.

In de Duitse staten ontstaat het opus teutonicum, monotone kleuren en sculpturaal. Ook elders onstond onder invloed van de beeldhouwkunst een borduurstijl met een sterk reliëf tot halfreliëf. In de Duitse staten kon een vorm van serieproductie ontstaan dankzij de groeide handel en een eenduidige iconografie. Het zou interessant zijn om te onderzoeken of ook de borduurder in de Lage Landen – zoals in de schilderkunst –inspeelde op de markt. Verder blijft onderzoek nodig naar het artistiek aandeel van de borduurder in de gehele productie van borduurwerk.

Borduurwerk werd als zeer waardevol beschouwd, waardevoller dan schilderijen. In de inventarissen van kloosters en kerken werden paramenten als eerste genoemd, in die van vorsten als tweede, na de metaalwerken. Vooral het materiaal was zeer kostbaar, weinig is bekend over de verdiensten en de status van de ‘gewone’ borduurder. Herstelwerk werd bijvoorbeeld gedaan in ruil voor levensonderhoud. Ook hier is nader onderzoek nodig.

  1. Jansen, Béatrice, Laat Gotisch borduurwerk in Nederland (‘s-Gravenhage 1948).
  2. Synge, Lanto, Art of embroidery. History of style and technique (Woodbridge 2001).
  3. Staal, Casper, ‘Middeleeuwse gewaden in museum Catharijneconvent, Utrecht. Het ontstaan van een verzameling‘ in: Micha Leeflang ed., Middeleeuwse borduurkunst uit de Nederlanden, tent.cat. Museum Catharijneconvent Utrecht (Zwolle 2015) 115-121.
  4. Müllners, Ulrike, ‘Onder de loep genoemen. Technieken van het middeleeuws goudborduurwerk‘ in: Micha Leeflang ed., Middeleeuwse borduurkunst uit de Nederlanden, tent.cat. Museum Catharijneconvent Utrecht (Zwolle 2015) 51-63.
  5. Járó, Márta, ‘Gold embroidery and fabrics in Europe: XI – XIV centuries ‘, Gold Bulletin 23 (Boedapest 1990) 40-57.
  6. Bergemann, Uta-Christiane, ‘Auftragsbedingungen und Gestaltungsfreiheiten der Stickerwerkstätten im Spiegel von Verträgen und Rechnungen des 15. Jahrhunderts’ in: Uta-Christiane Bergemann ed., Reiche Bilder. Aspekte zur Produktion und Funktion von Stickereien im Spätmittelalter (Regensburg 2010) 9-24.
  7. Bodt, Saskia de, ‘De professionele borduurwerkers‘ in: S.F.M. de Bodt e.a. ed., Schilderen met gouddraad en zijde, tent.cat. Rijksmuseum Het Catharijneconvent Utrecht (Utrecht 1987) 8-19.
  8. Lorne, Aleth, ‘Borduurwerkers en beeldhouwers in de Nederlanden en het Rijnland in de late Middeleeuwen‘ in: Micha Leeflang ed., Middeleeuwse borduurkunst uit de Nederlanden, tent.cat. Museum Catharijneconvent Utrecht (Zwolle 2015) 95-103.
  9. Donckt-Duveger, G. van der en E. Duveger, ‘Borduurwerkers en borduurwerk te Gent’, in: Tentoonstellingen Gent. Duizend jaar kunst en cultuur II, tent.cat. Bijlokemuseum Gent (Gent 1975) 211-219.
  10. Nash, Susie, Northern Renaissance Art (Oxford 2008).
  11. Labarge, Margaret Wade, ‘Stiches in time: Medieval embroidery in its social setting’, Florilegium 16 (1999) 77-96. https://journals.lib.unb.ca/index.php/flor/issue/view/1445.
  12. Schmitz-von Ledebur, Katja, ‘Der Messornat des Ordens vom Golden Vlies: Sticker im Dienste der burgundischen Herzöge’ in: Uta-Christiane Bergemann ed., Reiche Bilder. Aspekte zur Produktion und Funktion von Stickereien im Spätmittelalter (Regensburg 2010) 25-36.
  13. Holme, Geoffrey ed., A book of old embroidery (London 1921).
  14. Blöcher, Heidi, ‘Beobachtungen zum Opus Anglicanum an Mitren aus dem 13. Jahrhundert’ in: Uta-Christiane Bergemann ed., Reiche Bilder. Aspekte zur Produktion und Funktion von Stickereien im Spätmittelalter (Regensburg 2010) 83-96.
  15. Fircks, Juliane von, ‘Serienproduktion im Medium mittelalterlicher Stickerei. Holzschnitte als Vorlagenmaterial für eine Gruppe mittelrheinischer Kaselkreuze des 15. Jahrhunderts’ in: Uta-Christiane Bergemann ed., Reiche Bilder. Aspekte zur Produktion und Funktion von Stickereien im Spätmittelalter (Regensburg 2010) 65-82.

Afbeelding: Jacob van Malborch?, Koorkapschild en drie aurifriezen met scènes uit het leven van Willibrord Utrecht, ca. 1505-1515, Museum Catharijne convent